Pathologie

Geen gevecht tegen borsttumoren zonder nauwkeurige informatie en weefseldiagnose. Door voor, tijdens en na een operatie cellen en weefsels te onderzoeken levert het labo pathologie onmisbare gegevens voor de opstelling van het behandelingsplan.

Voor de operatie

Als de radioloog een verdacht letsel lokaliseert, dan is het aan de patholoog om de tumor gedetailleerd te typeren, de kwaadaardigheid aan te tonen en eventueel de uitzaaiingen te bevestigen. De patholoog onderzoekt daarvoor een stukje van het verdachte weefsel (weefselbiopt). Als er een verdachte lymfeklier is, bekijkt ze die via een fijnenaaldpunctie. De resultaten bepalen de verdere behandeling.
 
Dr. Valérie Duwel, anatoompatholoog

 

Als de chirurg de tumor moet verwijderen, onderzoekt de patholoog nog tijdens de operatie het weggesneden deel. Hij bekijkt of er genoeg borstweefsel is weggesneden. Is dat niet het geval, dan verwittigt hij de chirurg telefonisch, zodat die onmiddellijk nog een bijkomend stuk kan weghalen. Ook als aangetaste klieren moeten worden verwijderd, worden die meteen naar de patholoog gebracht. Die zoekt de klieren op en fixeert ze zo snel mogelijk, zodat alles in optimale omstandigheden kan verlopen. Heeft het preoperatief onderzoek geen uitzaaiing in de lymfeklieren aangetoond, dan wordt tijdens de operatie een tweede check gedaan. De chirurg verwijdert daarvoor de schildwacht- of sentinelklier, de eerste klier die de tumor draineert. De patholoog zoekt meteen uit of die kwaadaardige cellen bevat. Zo ja, dan kan de borstchirurg soms in één keer alle okselklieren verwijderen. Is de schildwachtklier tumorvrij, dan laat hij de okselklieren zitten.

Na de operatie

De patholoog neemt na de operatie de tijd om de tumor, het borstklierweefsel en de schildwachtklier uitgebreider te onderzoeken. Hij brengt alle eigenschappen van de tumor zorgvuldig in kaart. De schildwachtklier versnijdt hij nagenoeg volledig om zeker te zijn dat er nergens kleine tumorcelgroepjes zitten. Al die resultaten worden samengebracht in het TNM stadium (tumorgrootte, lymfeklierstatus, metastasen). Al deze kenmerken zullen de nabehandeling helpen bepalen. Bijkomend wordt ook de agressiviteit onderzocht, de receptorstatus en de HER2/neu status bepaald. Ook in eventueel latere stadia van uw ziekte kan de patholoog stalen onderzoeken.
 

Auteur: Dr. Didier Verhoeven
Update: 13 04 17