Ziekte van Legg-Calvé-Perthes (LCP)

De ziekte van Legg-Calvé-Perthes (LCP) is een aandoening van het heupgewricht die optreedt bij kinderen tussen de 3 en 13 jaar. De aandoening wordt ook wel juveniele osteochondritis of juveniele avasculaire necrose van de heupkop genoemd. De ziekte van Legg-Calvé-Perthes wordt genoemd naar drie orthopedisch chirurgen die bijna gelijktijdig in 1910 de ziekte ontdekten. Het is een aandoening die zich kenmerkt door een verstoorde bloedvoorziening naar de kop van de heup waardoor er een misvorming van de heupkop en de heupnek ontstaat. Hierbij is de bloedvoorziening een tijdje gestopt waarbij door afwezigheid van bloedvaten de heupkop volledig of gedeeltelijk afsterft. Het lichaam reageert hierop door nieuwe bloedvaten en cellen aan te maken. Het dode bot wordt afgebroken en opgenomen door het lichaam en tegelijkertijd wordt nieuw bot weer opgebouwd. Het bot is in deze fase erg afgezwakt waardoor kan het inzakken en er een misvorming optreedt. De mooie ronde vorm kan hierdoor verloren gaan. De aandoening duurt 2 tot 5 jaar. Meestal is maar één heup aangetast maar bij 10% van de patiënten treft de ziekte beide heupen. De ziekte komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes, in een verhouding van 4 tot 1.
 
De eerste klachten zijn pijn in de lies en verstijving van de heup maar ook vaak pijn in de knie. De symptomen nemen toe bij belasting (springen, hurken, hardlopen, fietsen …). De patiënt zal meestal ook manken. De presentatie is sterk wisselend en hangt af van de ernst van de aantasting. De diagnose wordt gesteld aan de hand van een lichamelijk onderzoek, röntgenfoto’s van de heupen en een MRI-scan waarop in een vroegtijdig stadium de uitgebreidheid reeds kan vastgesteld worden.
 
De behandeling in de acute fase bestaat uit rust en ontlasting van de heup door het gebruik van een rolstoel en krukken. Door de ontlasting hoopt men het inzakken van het bot te voorkomen waardoor de heupkop zich kan herstellen. Bij de behandeling wordt meestal ook gebruik gemaakt van tijdelijke tractie, kinesitherapie en een spreidbeugel. Sommige patiënten dienen een operatie te ondergaan waarbij de heupkop gekanteld wordt en zo beter in de kom past of een operatie waarbij de heupkom vergroot wordt door het aanbrengen van een extra stuk bot.
De prognose is wisselend en hangt af van hoe goed de heupkop en heupkom in elkaar passen na de genezing. Hoe jonger het kind is, hoe groter de kans dat de heup zich helemaal kan herstellen. Verder is de uitgebreidheid van de misvorming met het al dan niet bewaren van een natuurlijke overdekking van de heupkop in de kom een belangrijke prognostische factor.